auto.pub logo
Peugeot 308
Fullscreen Image

Franse auto-industrie zakt steeds dieper weg

Auteur auto.pub | Gepubliceerd op: 03.03.2026

Eind februari publiceerde het Franse nationale statistiekbureau INSEE een rapport dat meer weg had van een autopsie dan van een economische update. Terwijl politici in Parijs vol bravoure praten over groene transities en industriële vernieuwing, brokkelt de ruggengraat van de Franse maakindustrie sneller af dan eerdere prognoses deden vermoeden.

De Franse auto-industrie, ooit het toonbeeld van Europese techniek, is nu vooral een waarschuwing. Wereldwijde concurrentie en strategische misstappen hebben decennia aan industrieel erfgoed uitgehold.

Een derde van de banen verdwenen

Het jongste INSEE-rapport laat niets aan de verbeelding over. Tussen 2010 en 2023 verloor de Franse auto-industrie 32 procent van haar banen. In een sector die ooit de technologische ambitie van het land belichaamde, betekent dat bijna één op de drie banen die in rook is opgegaan.

Ter vergelijking: in de rest van de economie daalde de werkgelegenheid in diezelfde periode met slechts 1 procent.

Alleen al in de assemblagefabrieken verdwenen 46.000 directe banen. In het netwerk van toeleveranciers gingen nog eens tienduizenden functies verloren doordat de binnenlandse productievolumes kelderden. Sinds 2023 is de neergang alleen maar versneld, waardoor hoop op snel herstel vervliegt.

Wat ooit cyclisch leek, blijkt nu structureel.

Productie verhuist naar het oosten en zuiden

De Franse autofabrikanten zijn open over hun strategie. Ontwerpstudio’s en marketing blijven in eigen land, maar grootschalige productie verhuist naar plekken waar de kosten lager liggen en de marges beter te verdedigen zijn.

Stellantis, eigenaar van Peugeot en Citroën, en de Renault Group reageren op hoge binnenlandse energieprijzen en loonkosten met simpele rekensommen. Productielijnen verplaatsen naar Roemenië, Slowakije, Spanje en Portugal, waar lonen en bedrijfskosten lucht geven in een meedogenloze markt.

Franse fabrieken, belast met hogere vaste lasten, kunnen nauwelijks concurreren in een prijzenoorlog die steeds meer door Chinese merken wordt bepaald. De strategische focus is verschoven van nationaal industrieel beleid naar aandeelhouderswaarde en wereldwijde concurrentiekracht.

Subsidies vloeien naar het buitenland

De Franse overheid blijft de aankoop van elektrische auto’s subsidiëren om de vraag te stimuleren en de CO2-uitstoot te verlagen. Maar een deel van dat belastinggeld belandt bij auto’s die buiten Frankrijk worden gebouwd.

Chinese merken als BYD en MG zijn met opvallende efficiëntie de Europese markt opgerold en mikken razendsnel op het betaalbare EV-segment. Tegen die achtergrond kunnen fabrieken die vastzitten in bureaucratie en complexe arbeidsverhoudingen nauwelijks even snel schakelen.

Het resultaat is een ongemakkelijke paradox: staatssteun die bedoeld is om de binnenlandse industrie te steunen, helpt nu juist concurrenten over de grens.

Een les voor heel Europa

De uitholling van de Franse auto-industrie legt een bredere Europese zwakte bloot. Emotionele gehechtheid aan het label ‘Made in France’ legt het af tegen de kille logica van de boekhouding. Kostenstructuren, productiviteit en leveringszekerheid bepalen uiteindelijk waar auto’s gebouwd worden.

Voor beleidsmakers in heel Europa is de boodschap ontnuchterend: als efficiëntie en concurrentiekracht afnemen, redt erfgoed het niet. Industrie verdwijnt niet van de ene op de andere dag. Ze krimpt stilletjes, lijn voor lijn, tot de cijfers een verhaal vertellen dat geen enkele politieke speech nog kan verhullen.